In het februari-nummer van het tijdschrift Vandaar is het volgende artikel afgedrukt over de Syrië - Libanonreis.

Klik hier voor PDF bestand, (om bijvoorbeeld uit te printen) of lees het artikel op deze pagina.

Voor meer informatie of bestellen van het nummer, klik hier (email redactie). Ik weet niet wat het kost om na te bestellen.

 

PREDIKANTEN MAKEN EEN STUDIEREIS MET KERKINACTIE

GELOOF IN SYRIë EN LIBANON

Kerken in het Midden-Oosten, wat weten we daar eigenlijk van? In de kerk van onze jeugd ging het er nooit over. Op later leeftijd komen we er achter dat de Nederlandse kerkprovincies ieder hun eigen aandachtsveld hebben en dat we als noorderling daarom vooral worden bijgepraat over Latijns-Amerika. Maar ook tijdens de theologiestudie blijft het verhaal over de oosterse kerken steken in jaartallen, concilies en dogma’s. Een studiereis doet de droge stof opwaaien.

‘Go West’
Op de wand van een klaslokaal in Al Qamishli, een stad in het noord-oosten van Syrië, zijn naast elkaar geschilderd het Arabische schrift en de Latijnse lettertekens. Onze aandacht valt er op, omdat boven de lesstof de figuur van Dagobert Duck metershoog is aangebracht. Deze steenrijke oom van de overbekende eenden Kwik, Kwek en Kwak maakt met zijn wijsvinger een breed gebaar van het Syrische schrift naar het westerse alfabet. Alsof hij zeggen wil: ‘wie het geluksdubbeltje zoekt zal hier niet moeten blijven, maar zijn gezicht naar de westerse landen moeten keren’. Jarenlang interpreteren de christenen uit deze streek het ook op deze manier. In de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw vertrekken ze met duizenden uit het grensgebied van Syrië en Turkije. Aan Turkse zijde wordt men gemangeld in de strijd tussen Koerden en het Turkse leger. Aan Syrische zijde zijn er weer andere redenen van politieke en religieuze aard. Maar het is vaak ook om het economisch beter te krijgen.
Canada, de Verenigde Staten, Duitsland, Scandinavië bieden een gastvrij onthaal en ook ons land kent sindsdien concentraties van syrisch-orthodoxen, met name in Twente.
Anno 2005 is deze situatie drastisch veranderd. De grenzen van de westerse landen zijn dicht voor economische vluchtelingen en de ambtsberichten van het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken zijn niet hoopvol voor wie een vertrek om politieke of religieuze reden overweegt. Wat houdt dat in, voor de christenheid in deze regio? Is het haar zelfvertrouwen kwijt, of bouwen de achterblijvers met nieuw elan aan de toekomst? En hoe is het om met een krimpende kerk te leven temidden van een meerderheid van moslims? Voor die vragen reizen twintig predikanten en kerkelijk werkers, op uitnodiging van kerkinactie, in de tweede helft van oktober 2005 langs verschillende geloofsgemeenschappen in Syrië en Libanon.

KERKGESCHIEDENIS
De kerkgeschiedenis van Syrië en Libanon voert terug naar de eerste eeuwen van onze jaartelling. Van hieruit verspreidt het christendom zich over de wereld. Vele van de oude geloofsgemeenschappen zijn er nog steeds, en er voegen zich in de loop der geschiedenis nog nieuwe aan toe. We hebben een goede gids nodig om al deze ‘aardlagen’ in de kerk te onderscheiden. Daarom beginnen we ons bezoek in Beiroet, bij de Near East School of Theology. De decaan van de NEST, dr. George Sabra leidt ons schematisch langs de kerkgenootschappen der syrisch-orthodoxen, grieks-orthodoxen, nestorianen (die vooral in Irak wonen) en de katholieken en protestanten die in later eeuwen kwamen.
De directrice dr. Mary Mikhaël vertelt ons dat 95 procent van alle voorgangers in de kerken van Libanon en Syrië hier worden opgeleid. ‘Daarnaast hebben we programma’s voor buitenlandse studenten om bijvoorbeeld de relatie tussen christendom en islam te bestuderen’. ‘In de burgeroorlog die het land tussen 1975 en 1990 teisterde is ons instituut nooit gesloten’. ‘Integendeel zelfs, de kelders boden een veilige bescherming voor de omliggende buurt bij de vele bomaanslagen in deze jaren’. Dr. Sabra voegt er aan toe dat de grootste kerk in Libanon, die der Maronieten, zich probeert op te richten uit deze traumatische oorlogsjaren. ‘Maar’, zo gaat hij verder: ‘waar tot voor kort de christenen de helft van de Libanese bevolking uitmaakten daar zijn we nu gedaald tot 35 procent en dat heeft grote gevolgen voor onze positie in dit land, niet alleen kerkelijk maar ook politiek’. Toch is het volgens hem van het grootste belang om in de, nog steeds gistende, Libanese maatschappij dialoogprogramma’s op te zetten.
Zijn streven wordt op onvermoede wijze kracht bijgezet, als we stilstaan bij de plek waar in februari 2005 oud-president Rafiq Hariri is vermoord. Overal op schuttingen zien we kruisen en halve manen dicht op elkaar gekalkt en daaronder de hartenkreet om eendrachtig vanuit de twee godsdiensten aan één land te werken. Deze aanslag brengt de Libanezen dichter bij elkaar dan ooit tevoren.

OECUMENISCH CONTACT
Wat ook in Beiroet zetelt is de Raad van Kerken voor het Midden-Oosten, de MECC. ‘De christenen vormen een minderheid in deze regio en we kunnen ons daarom geen verdeeldheid permitteren’, aldus dr. Nuhad Tomeh, plaatsvervangend secretaris-generaal van de raad. Vanuit Beiroet worden conferenties georganiseerd om de nieuwe ontwikkelingen in de Oosterse kerken te bespreken. Daarnaast worden er programma’s opgezet voor de bouw van scholen, gezondheidscentra, computerlokalen, vorming van docenten. Een apart onderdeel is de noodhulp voor vluchtelingen, waarin de MECC samenwerkt met de UNHCR, de vluchtelingenorganisatie van de Verenigde Naties. Er wordt daarbij niet gelet op het onderscheid tussen christenen en niet-christenen. ‘80 procent van de vluchtelingen wereldwijd is niet-christen’, aldus mw. Afaf Deeb-Kandis, directeur studie en research, ‘en voor zover deze vluchtelingen op ons grondgebied verblijven voelen we als MECC een onvoorwaardelijke betrokkenheid bij heel deze groep’.

TWEE GELUIDEN
We steken de grens over tussen Libanon en Syrië en ontmoeten patriarchen en priesters. Ze zijn vriendelijk en gastvrij, en ze prijzen de eigen overheid de hemel in. De kerken steunen openlijk het Baath bewind onder leiding van president Bashar Al-Assad. Dit is een houding van zelfbehoud, de Baath-ideologie is naar haar aard namelijk niet religieus. Het alternatief zou zijn een regering van soennitische moslims en het laat zich raden dat de kerken daarin minder vrijheid krijgen. Zijne Heiligheid, Ignatios IV Hazim patriarch van 1,2 miljoen grieks-orthodoxe gelovigen bevestigt ons in Damascus dat zijn kerk geen strobreed in de weg wordt gelegd bij de stichting van parochies en de bouw van kerken en scholen. Hij roemt ook de samenwerking met de moslimleiders. Islamitische geestelijken die we onderweg ontmoeten spreken op hun beurt net zo politiek correct over hun christelijke landgenoten.
Gelukkig krijgen we de kans om hier en daar mensen op straat te spreken. Niet gehinderd door meeluisterende personen vertellen zij ons openhartig dat er wel degelijk schermutselingen plaats vinden tussen de verschillende bevolkingsgroepen. Als een dorp overwegend islamitisch is, is het bijvoorbeeld voor christenen moeilijk om aan de juiste hoeveelheid water te komen voor hun landerijen. Daarnaast kijken de christenen neer op de wijze waarop de moslims hun landerijen bewerken. We horen openlijk over gewelddadigheden tussen Koerden en Moslims in het noorden van het land. We lopen op met een christen in Aleppo en stellen hem de vraag of hij ook lid is van de Baath partij. ‘Nee’, ‘Christenen hebben geen kruiwagen nodig’, zo zegt hij stellig. ‘We hebben goede scholen en kunnen ons zelf wel redden’.
De Syrische overheid beseft ook zelf dat men door verdere repressie nog meer talentvolle onderdanen het land uitjaagt, terwijl de problemen groot genoeg zijn. De olievoorraden raken op, de weg naar buitenlandse investeerders is onvermijdelijk. Internetcafé’s doemen op in het straatbeeld, evenals reclameborden van buitenlandse ondernemingen.
We treffen ook een geestelijke die zo eerlijk is om te bekennen dat er steeds meer moslims van top tot teen gesluierd over straat gaan. ‘Zo’n complete sluier is beslist geen Syrische traditie’, zo vervolgt hij, ‘tien jaar geleden zagen we dit nauwelijks’.
Hoewel er over en weer irritaties zijn, zien we over het geheel gesproken geen onoverbrugbare verschillen tussen christenen en moslims. Dat heeft ook historische redenen. De komst van de moslims, vanaf de zevende eeuw was voor de christenen ook een soort van bescherming. De kerken uit deze regio gingen in hun geloof vaak andere wegen dan de officiële leer van de rijkskerk in Constantinopel. De christenen konden echter hun gang gaan, omdat de moslims een buffer vormden tegenover de legers van de keizer. Op die wijze leeft men dan ook al eeuwenlang vreedzaam samen en gunt men elkaar de ruimte. We rijden door dorpen waar de kruisen van kerken en kloosters boven de daken uitsteken. Hier zijn de christenen zichtbaar in de meerderheid.

CHARISMATISCH
We staan stil bij eeuwenoude kloosters met toegewijde monniken en nonnen. Dit zijn de diepste aardlagen van de christelijke traditie. In sommige dorpen spreekt men nog het Aramees, de taal uit Jezus’ dagen. Naast enkele protestantse contacten heeft Kerkinactie juist met deze syrisch-orthodoxe en grieks-orthodoxe gemeenschappen zulke nauwe banden.
Deze contacten zijn missionair van aard en diaconaal. Als voorbeeld van missionaire hulp toont Matta Roham, bisschop in het uiterste Noord-oosten van Syrië ons het St. Georgeklooster bij Hassake, gebouwd met steun van Kerkinactie. In dit klooster vinden scholingsprojecten plaats en toerusting van kerkelijk kader. Daarnaast is men diaconaal actief in de hulp aan sociaal-kwetsbare groepen. Een voorbeeld van zo’n project is een mede door de kerk gestichte christelijke basisschool en middelbare school. Dit is een vorm van privé-onderwijs welke deels door de ouders moet worden gefinancierd. De kerk reserveert echter ook gratis plaatsen voor (kans)armere jongeren. Ook moslims hebben toegang tot deze scholen. Bisschop Matta Roham is een charismatisch leider. Hij vertelt ons hoe het christendom in zijn land is gedaald van 17 procent naar 8 procent van de bevolking. Maar terwijl hij dit zegt laat hij ons stralend enkele kerkelijke nieuwbouwprojecten zien. Bisschop Matta Roham: ‘vele landgenoten zijn vertrokken, maar ze zijn ons niet vergeten en sturen geld en goederen’. Hij neemt ons mee naar de scouting, een kerkelijk geleide jongerenorganisatie waar het enthousiasme van de jeugd er vanaf druipt. De bisschop leidt een dienst waar catechesegroepen meedoen in de prachtig gezongen liturgie van de Oosterse kerk. De kerk is tot de laatste plaats bezet. Na afloop gaan we de bus in om te stoppen bij een bedevaartsoord. De bisschop wijst met zijn staf. ‘zie je dat gebouw?’, ‘daar wordt met hulp van Kerkinactie een bejaardenhuis gebouwd’.
Zo worden jong en oud een toekomst geboden. In hun eigen land en ondersteund door kerkelijk kader, wat vooral de verdienste is van de syrisch-orthodoxe Patriarch Zakka I Iwas. Hij heeft in zijn 25-jarig dienstverband een nieuwe generatie geestelijken opgeleid. Zoals broeder Joachim, die we spreken op het seminarie in klooster Mor Efrem, buiten Damascus. Joachim woonde in het ouderlijk huis in Hengelo. Hij was automonteur, maar voelde een andere bestemming en vertrok naar Syrië. Hij is een voorbeeld van een generatie geestelijken die op een open en moderne wijze in de wereld staat. Zij geven de Syrische gelovigen een nieuw zelfbewustzijn. Bijvoorbeeld Sylva Assia, docente Aramees aan een middelbare school. We treffen haar aan het eind van de reis. Ze gaat trouwen en vertelt dat de kerkelijke inzegening en de bruiloft plaatsvinden in Zweden. ‘In Zweden’? Zo vragen we. ‘Ja’, zegt ze ‘daar woont bijna al onze familie’. ‘En ga je daar ook wonen’, zo vragen we. ‘Nee, ik kom terug’. ‘Dit is mijn land, hier wonen mijn vrienden’, ‘Ik heb het goed in Syrië’. Oom Dagobert krijgt zijn vingerwijzing terug.

Februari 2006, Theunis Veenstra, Protestantse Gemeente te Havelte